Pensioenplan

Wat zijn de belangrijkste wetten en reglementeringen met betrekking tot pensioenen en pensioenplannen? Het Belgische wettelijke kader inzake beroepspensioenregelingen bestaat uit sociale bescherming en prudentiële beschermingsmaatregelen.

De sociale bescherming is in de eerste plaats vastgelegd in de wet van 28 april 2003 betreffende de beroepspensioenregeling en haar uitvoeringsbesluiten. Andere sociale wetten kunnen een rol spelen op het gebied van pensioenen, zoals in de eerste plaats de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32-bis betreffende de overgang van ondernemingen.

Pensioenplannen in België

De prudentiële bescherming is tweeledig naar gelang van de aard van het pensioeninstrument, dat een verzekeringscontract of een pensioenfonds kan zijn. Verzekeringsondernemingen, die ruwweg twee derde van de bedrijfspensioenactiva in België vertegenwoordigen, zijn in de eerste plaats onderworpen aan de wet van 13 maart 2016 betreffende het statuut van en het toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen (die de EU-solvabiliteitsrichtlijnen ten uitvoer leggen).

Pensioenfondsen, die ruwweg een derde van de bedrijfspensioenactiva in België vertegenwoordigen, zijn voornamelijk onderworpen aan de gewijzigde wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op IBPV’s (die IORP I (richtlijn (EU) 2003/41) en IORP II (richtlijn (EU) 2016/2341) uitvoert) en haar uitvoeringskoninklijke besluiten.

Het Belgische wettelijke kader is in overeenstemming met de toepasselijke EU-richtlijnen.

Regelgevende instanties

Wat zijn de primaire regelgevende instanties en hoe handhaven zij de geldende wetten?

De Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) houdt toezicht op de naleving van de sociale beschermingsmaatregelen voor bedrijfspensioenen en de pensioenfondsen zelf. Verzekeringsmaatschappijen zijn onderworpen aan het toezicht van de Nationale Bank van België.

Beide instellingen hebben de bevoegdheid om circulaires en mededelingen uit te vaardigen met richtsnoeren voor de praktische uitvoering van de wetten en koninklijke besluiten. Zij beschikken ook over een breed scala aan sanctiemechanismen in geval van inbreuken op de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder administratieve sancties. Zij kunnen ook zaken voor strafrechtelijke vervolging voorleggen.

Belasting op pensioenen

Wat is het kader voor de belastingheffing op pensioenen? Bedrijfspensioenregelingen zijn onderworpen aan een zeer gunstige belasting- en socialezekerheidsregeling in vergelijking met salarissen. In het kort komt het erop neer dat in plaats van de normale socialezekerheidsbijdragen die over het salaris verschuldigd zijn (ruwweg 27 procent door de werkgever en 13,07 procent door de werknemer), op bijdragen aan een pensioenregeling een speciale socialezekerheidsbijdrage van 8,86 procent en een assurantiebelasting van 4,4 procent wordt geheven. Voor bepaalde hoge pensioenen geldt een extra bijdrage van 3 procent.

Bij de uitbetaling van het pensioen bij pensionering, indien het pensioen wordt opgenomen als een bedrag ineens of in de vorm van een kapitaal (wat gebruikelijk is in België), is de werknemer een socialezekerheidsbijdrage verschuldigd van maximaal 5,55 procent, en het normale belastingtarief bedraagt 16,5 procent, maar wordt verlaagd tot 10 procent indien de werknemer daadwerkelijk beroepsactief is gebleven tot zijn pensionering op 65-jarige leeftijd of een volledige beroepsloopbaan van 45 jaar heeft gehad.

Lijfrentes, die veel minder gebruikelijk zijn in België, kunnen ook profiteren van een speciaal belastingregime.

Pensioenbijdragen zijn fiscaal aftrekbaar voor werkgevers indien zij binnen de 80%-grens blijven, wat eenvoudig gezegd betekent dat zij een gezamenlijk (wettelijk en beroeps-) pensioen moeten financieren dat niet meer bedraagt dan 80% van het laatste loon van de werknemer.

Wat is het overheidspensioenstelsel?

Het overheidspensioenstelsel wordt gefinancierd door socialezekerheidsbijdragen die over de salarissen worden betaald. Het is een omslagstelsel. Het kent pensioenrechten toe op basis van arbeid in loondienst en gelijkgestelde dagen. Pensioenrechten worden opgebouwd over het brutosalaris tot 58.446,94 euro (in 2019). Salarissen boven dat bedrag geven geen recht op een AOW-pensioen.

Het AOW-pensioen gaat in op 65 jaar. De normale wettelijke pensioenleeftijd wordt verhoogd tot 66 jaar in 2025 en tot 67 jaar in 2030. De leeftijd voor vervroegde uittreding is momenteel 63 jaar (waarvoor bepaalde overgangsregels gelden, aangezien de minimumleeftijd voor vervroegde uittreding pas in de afgelopen jaren is verhoogd van 60 tot 63 jaar).

Er is een ander overheidspensioenstelsel voor zelfstandigen en een (aanzienlijk genereuzer) stelsel voor ambtenaren.

Berekening van het pensioen

Hoe wordt het staatspensioen berekend en welke factoren kunnen leiden tot een hoger of lager pensioen? De normale regel is dat een pensioen gelijk is aan 75 procent (voor een gezinspensioen) of 60 procent (voor een alleenstaand pensioen) van het salaris (tot het maximumbedrag), vermenigvuldigd met het aantal dienstjaren en gedeeld door 45.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *